IQ berekenen: van goede antwoorden naar een IQ-score
Wie een IQ-test maakt, beantwoordt opgaven. Toch krijg je geen "18 van de 25 goed" te zien, maar een getal als 112. Hoe kom je van het een naar het ander? Op deze pagina lees je stap voor stap hoe een IQ-score wordt berekend, met een rekenvoorbeeld, een percentieltabel en een rekenhulp.
Laatst bijgewerkt op 2 oktober 2026 · Team THEIQTESTS.COM
Inhoud
Wat IQ 100 en standaardafwijking 15 betekenen
Een IQ is een plaats op een schaal, geen rapportcijfer en geen percentage. De schaal is zo afgesproken dat het gemiddelde van de bevolking precies op 100 ligt. De standaardafwijking (afgekort SD) geeft aan hoe ver scores gemiddeld van dat midden af liggen; bij vrijwel alle moderne IQ-tests is die vastgezet op 15 punten.
Omdat scores op een intelligentietest ongeveer normaal verdeeld zijn, volgt uit die twee afspraken direct hoe zeldzaam een score is. Een IQ van 115 ligt één standaardafwijking boven het gemiddelde, een IQ van 130 twee. Wat elke bandbreedte in de praktijk betekent, van "laag gemiddeld" tot "zeer hoog", lees je in de IQ-score uitleg. Hier gaat het om de vraag hoe je dat getal überhaupt berekent.
Het oude IQ: mentale leeftijd gedeeld door leeftijd
Het woord "intelligentiequotiënt" komt uit de tijd dat IQ echt een deling was. Na de eerste kindertests van Binet en Simon (1905) stelde William Stern voor om de mentale leeftijd te delen door de kalenderleeftijd; Lewis Terman vermenigvuldigde dat met 100. Een kind van 8 dat presteert als een gemiddeld kind van 10 kreeg zo 10 / 8 × 100 = 125.
Voor volwassenen werkt dat niet: je mentale leeftijd groeit niet meer elk jaar mee, dus het quotiënt zou vanzelf dalen. Daarom stapte David Wechsler eind jaren dertig over op het afwijkings-IQ, dat je niet met leeftijd vergelijkt maar met leeftijdsgenoten. Dat is de methode die nu overal wordt gebruikt. Het woord "quotiënt" is gebleven, de deling niet.
Van ruwe score naar IQ: normgroep en schaal
Het berekenen van een modern IQ gaat in drie stappen.
- De ruwe score. Dat is wat je goed hebt, soms gewogen naar moeilijkheid of tijd. Op zichzelf zegt die score niets: 18 goed op een makkelijke test is iets anders dan 18 goed op een moeilijke.
- Vergelijken met de normgroep. Voordat een test in gebruik gaat, wordt hij afgenomen bij een grote groep mensen: de normgroep. Daarvan ken je het gemiddelde en de standaardafwijking van de ruwe scores. Jouw ruwe score wordt omgezet in een z-score: hoeveel standaardafwijkingen je boven of onder het gemiddelde van die groep zit.
- Omzetten naar de IQ-schaal. De z-score wordt vertaald naar de schaal met gemiddelde 100 en SD 15.
In formules:
IQ = 100 + 15 × z
Bij professionele tests is de normgroep per leeftijd ingedeeld, zodat een 25-jarige met andere 25-jarigen wordt vergeleken en een 70-jarige met leeftijdsgenoten. Vaak wordt de omzetting ook niet met één formule gedaan maar met normtabellen, omdat de verdeling aan de uiteinden niet precies de klokvorm volgt. Het principe blijft hetzelfde.
Niet elke test gebruikt SD 15
Een paar tests gebruiken een andere standaardafwijking. Oudere edities van de Stanford-Binet rekenden met 16, de Cattell-schaal met 24. Hetzelfde resultaat (twee standaardafwijkingen boven het gemiddelde) heet dan 130, 132 of 148. Vergelijk dus nooit losse getallen zonder te weten op welke schaal ze staan. Op deze site staan alle IQ-scores op de gangbare schaal met SD 15.
Rekenvoorbeeld
Stel: een test heeft 25 opgaven. In de normgroep is het gemiddelde 14 goed, met een standaardafwijking van 4. (Dit zijn verzonnen getallen om de rekenwijze te laten zien, geen normen van een bestaande test.)
| Persoon | Ruwe score | z-score | IQ | Percentiel |
|---|---|---|---|---|
| Anna | 18 goed | (18 − 14) / 4 = 1,0 | 100 + 15 × 1,0 = 115 | 84 |
| Bram | 12 goed | (12 − 14) / 4 = −0,5 | 100 + 15 × −0,5 ≈ 93 | 31 |
| Chris | 14 goed | (14 − 14) / 4 = 0 | 100 | 50 |
Neem nu een moeilijkere test, waarop de normgroep gemiddeld maar 10 goed heeft (SD weer 4). Dezelfde 18 goede antwoorden van Anna geven daar z = (18 − 10) / 4 = 2,0 en dus een IQ van 130. Zelfde aantal goed, heel andere score. Daarom kun je je IQ niet zelf uitrekenen uit het aantal goede antwoorden zonder de normen van die specifieke test.
Percentieltabel van 70 tot 145
Het percentiel zegt welk deel van de bevolking lager scoort dan jij. De tabel hieronder is rechtstreeks berekend uit de normale verdeling met gemiddelde 100 en SD 15. Het zijn dus de theoretische waarden van de schaal, geen meetgegevens van onze bezoekers.
| IQ | z-score | Percentiel (lager dan jij) | Zo hoog of hoger |
|---|---|---|---|
| 70 | −2,00 | 2,3 | — |
| 75 | −1,67 | 4,8 | — |
| 80 | −1,33 | 9,1 | — |
| 85 | −1,00 | 15,9 | — |
| 90 | −0,67 | 25,2 | — |
| 95 | −0,33 | 36,9 | — |
| 100 | 0,00 | 50,0 | 1 op 2 |
| 105 | 0,33 | 63,1 | 1 op 2,7 |
| 110 | 0,67 | 74,8 | 1 op 4 |
| 115 | 1,00 | 84,1 | 1 op 6 |
| 120 | 1,33 | 90,9 | 1 op 11 |
| 125 | 1,67 | 95,2 | 1 op 21 |
| 130 | 2,00 | 97,7 | 1 op 44 |
| 135 | 2,33 | 99,0 | 1 op 100 |
| 140 | 2,67 | 99,6 | 1 op 260 |
| 145 | 3,00 | 99,9 | 1 op 740 |
Let op hoe de schaal aan de bovenkant "uitrekt": van 100 naar 115 haal je 34 procentpunten in, van 130 naar 145 nog geen 2,2. Een punt boven de 130 is daardoor veel zeldzamer dan een punt rond het gemiddelde. Meer over die grens lees je bij hoogbegaafdheid en een IQ van 130+.
Rekenhulp: van IQ naar percentiel
Vul een IQ-score in (schaal met gemiddelde 100 en SD 15) en zie welk percentiel daarbij hoort. De rekenhulp gebruikt dezelfde normale verdeling als de tabel hierboven; hij meet niets en zegt alleen hoe zeldzaam een score op deze schaal is.
Waarom online uitslagen per test verschillen
Wie meerdere online tests doet, ziet bijna altijd verschillende getallen. Dat ligt meestal niet aan jou, maar aan hoe de score wordt berekend:
- Een andere normgroep. Een psycholoog werkt met normen uit een zorgvuldig samengestelde steekproef van de bevolking. Online tests normeren vaak op wie de test toevallig doet; dat is een selectie van nieuwsgierige en vaak hoger opgeleide mensen, en dat verschuift de score.
- De lengte van de test. Hoe minder opgaven, hoe groter de meetfout. Bij 25 tot 40 opgaven is een marge van vijf tot tien punten realistisch. Zie hoe betrouwbaar is een online IQ-test?
- Het plafond. Een test met weinig moeilijke opgaven kan hoge scores niet goed onderscheiden. Iedereen die bijna alles goed heeft, komt dan rond hetzelfde getal uit.
- De leeftijd van de normen. Door het Flynn-effect stegen de gemiddelde scores in de twintigste eeuw lange tijd met ongeveer drie punten per tien jaar. Met verouderde normen scoort iedereen te hoog. Meer daarover bij het gemiddelde IQ in Nederland.
- Wat er gemeten wordt. De ene test bestaat bijna alleen uit figurenreeksen, de andere mengt taal, rekenen en ruimtelijk inzicht. Wie sterk is op één onderdeel, scoort op de ene test hoger dan op de andere.
Lees een online score daarom als een bandbreedte en kijk vooral naar je sterke en zwakkere onderdelen. Voor een diagnose, een schooladvies of een officieel oordeel over hoogbegaafdheid heb je een test nodig die door een psycholoog wordt afgenomen.
Doe de gratis test voor je eigen score
Wil je weten waar jij op de schaal uitkomt? De gratis IQ-test heeft 25 vragen en geeft je uitslag op de schaal met gemiddelde 100 en SD 15, met een uitsplitsing over vijf domeinen. Daarna kun je op de uitlegpagina van je score, bijvoorbeeld IQ 115, nalezen wat die score betekent.
Veelgestelde vragen
Alleen als je het gemiddelde en de standaardafwijking van de normgroep van die specifieke test kent. Zonder normgroep zegt het aantal goede antwoorden niets over je IQ: 18 van de 25 goed kan op een makkelijke test gemiddeld zijn en op een moeilijke test hoog.
Nee. IQ 100 betekent niet 100% goed, maar precies gemiddeld ten opzichte van de normgroep. Een IQ is een plaats op een schaal, geen cijfer of percentage.
Bij moderne tests: IQ = 100 + 15 × z, waarbij z = (jouw ruwe score − gemiddelde van de normgroep) / standaardafwijking van de normgroep. De oude formule mentale leeftijd gedeeld door kalenderleeftijd maal 100 wordt voor volwassenen niet meer gebruikt.
Elke test heeft eigen opgaven, een eigen normgroep, een andere lengte en een eigen meetfout. Verschillen van vijf tot tien punten tussen twee online tests zijn daarom normaal en zeggen weinig.